Kan een gebied met een intensieve bloembollenteelt ook een goede leefomgeving zijn voor vogels? In de Zuid-Hollandse Bollenstreek blijkt van wel.

De laatste jaren blijven de populaties van diverse soorten als de patrijs, veldleeuwerik en gele kwikstaart zeer constant, blijkt uit tellingen van de Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging Geestgrond. Volgens Paul Venderbosch, bestuurslid en adviseur bij de vereniging, is met name het open karakter van de streek aantrekkelijk voor ‘bollenvogels’.

Veldleeuwerik
“Hoor je dat gebrabbel? Dat is de veldleeuwerik. Dat gaat de hele dag zo door. De meeste bollenboeren herkennen dat geluid inmiddels wel; het hoort echt bij deze streek.” We kijken met Venderbosch uit over een klein poldergebied buiten Hillegom. Het gebied is open; de bloembollenteelt heeft hier duidelijk de overhand. Tussen de velden zijn wat slootkanten (deels gemaaid, deels niet gemaaid) te zien en rondom de polder sluiten bosranden het geheel mooi af. “Dit landschap is perfect voor tal van akkervogels.”

“De gewassen zijn laag, maar toch hoog genoeg. Daardoor voelen vogels zich veilig om tussen de bedden te broeden. Van het planten tot aan het vroege voorjaar ligt er een strodek op, waardoor er nog wat voedsel is te halen.” Vooral de patrijs, een icoonsoort voor de provincie Zuid-Holland, doet het de laatste jaren goed. Dat geldt ook voor de eerder genoemde veldleeuwerik, gele kwikstaart, kievit, scholekster en tureluur.

Venderbosch merkt dat boeren de laatste jaren meer oog hebben voor de leefomgeving van vogels. “We merken ook dat boeren best bereid zijn kleine aanpassingen doen ten gunste van deze vogels, zeker als je ze er persoonlijk bij betrekt.” Wat volgens hem ook helpt, is het feit dat is het een Agrarische Natuur- en Landschapsvereniging is. “Ongeveer 20 van de 100 leden zijn zelf bollenboer; we weten daarom redelijk goed wat haalbaar en niet haalbaar is.”

Kleine paradijsjes
Tijdens de ronde door het gebied wijst Venderbosch regelmatig op hagen en heggen die een goede beschutting bieden voor vogels en bovendien veel insecten herbergen. Ook de wat ruigere bermen en oeverkanten zijn volgens hem ‘kleine paradijsjes’ voor een groot aantal vogelsoorten.

Zelf zou hij het liefste zien dat de oevers, akkerranden en bermen zo laat mogelijk gemaaid worden, waardoor bloemen, kruiden en insecten zich optimaal kunnen ontwikkelen. Al weet hij dat telers liefst op tijd maaien om veronkruiding van de percelen te voorkomen. “Ja, op deze punten zitten natuurontwikkeling en bedrijfsbelangen elkaar weleens in de weg”, zo erkent hij.

“Er zijn gelukkig genoeg onderdelen waar we het goed met elkaar kunnen vinden. Die onderdelen moeten we uitbuiten.” Ter illustratie rijdt hij een toegangsweg van een bedrijf in en wijst op een paar rommelhoekjes met takkenbossen, groenafval en kruiden. “Die moeten dus vooral blijven liggen en niet allemaal opgeruimd worden.”